De ouwe heer is niet meer

Het droevige nieuws vanochtend medegedeeld. Ik meende achterin gejammer te horen. Ze leken uit hun doen. De interesse in eten, die er altijd is, daarvan gaven ze nu geen enkel bewijs. Er was stilte. Zijn opvolger liep onwennig rond. Schuchter nog, zoals hij zich altijd gedraagt.

Gisteren hebben we een fout gemaakt door ze weer in dezelfde ruimte te laten. De ouwe heer en zijn jongere rivaal, die eerder altijd zo bescheiden en bangig was. Zag hij zijn kans nu schoon? Had hij genoeg van het tweederangs zijn? Wilde hij het rijk voor zichzelf? Pikte hij zijn vernederende behandeling door die ouwe niet langer meer? Sloeg hij nu echt ’s een keer toe? We weten het niet zeker, maar het moet een gevecht zijn geweest van man tot man.

Toch was het geen slagveld, zoals we wel eerder hebben meegemaakt tussen een machthebber en degene die uit was op de macht. Tot bloedens toe kunnen ze elkaar uitputten in hun machtsstrijd, totaal gefixeerd op elkaar en onmogelijk door iemand af te leiden. Zo belangrijk is het behouden of het streven naar de macht voor ze. Een gevecht van leven en dood. Keihard gaat het eraan toe. Maar zo zal het gisteren in de vroege avond niet zijn gegaan. Er waren wat spatjes bloed, te weinig voor een bruut gevecht, maar vooral was er de uitputting. De ouwe heer lag er compleet verslagen bij. Ik bukte en liet mijn hand over zijn verenkleed gaan. Hij ademde nog. Zijn snavel zachtjes open. Ogen dicht. Ouwe jongen, toch. Zijn opvolger loerde naar me tussen de vijgenboom en kraaide voluit. Hij heeft gewonnen. We hadden geen idee van de strijd die zich die namiddag had afgespeeld. Niets hadden we gehoord. Alles leek pais en vree.

Ik pakte de ouwe heer op, hij was meer dood dan levend. We deden hem in een doos met een dekentje en bedekten de bovenkant. Er waren geen verwondingen, hij zag er zowaar onbeschadigd uit, alleen wat bloed op zijn kop. Het liefst wilde ik hem goed bekijken, maar wat hij moest doen, was rusten. Het heertje lag op zijn zij. Uitgeput. De morgen heeft hij niet meer gehaald.

Zeker vier jaar was hij bij ons. Niet eens zo lang. Maar hij was al best een oud baasje. Vooral de laatste tijd wachtte hij eerst netjes totdat de vrouwtjes aten. Hij deed het vermoedelijk nog stiekem met ze, we mochten het niet meer zien. Met zijn grote klauwen en lijf bovenop ze was toch al nooit een prettig gezicht. Maar vaak als eerste wist hij dat er onraad was. Alles hield hij in de gaten. Niets mocht zijn koninkrijk overkomen. Met kop en een oog schuin omhoog zag hij de kiekendieven al van grote afstand en waarschuwde voor gevaar. Ik gaf hem vaak boerenkoolbladeren uit mijn hand. Is het gek om verdrietig te zijn om een gestorven haan?

Vier jaar. We noemden hem Kokki of Cocky, want hij was knap en daar gedroeg hij zich naar. Knapper dan zijn broer Peppy, die veel brutaler was en dus de macht bezat, maar op een dag gegrepen werd door een roofvogel toen hij zijn harem met zijn leven verdedigde (zo ongeveer moet het zijn gegaan…ik vond zijn lange veren verspreid over de aarde). Ook toen was er een onwennige opvolger. Maar dit keer was hij het die de sterkste was. Tot op een onbewaakt ogenblik de gefrustreerde van de andere kant zich besloot te verzetten en de strijd met de onderdrukker aanging. Het leverde de ongewenste met zijn dunne, lange poten de eerste plek op en wat bloed rond zijn hanenkam. De tweederangs haan bestaat niet meer. Lange Jan kwam een jaar geleden bij ons aan, verstoten van een ander stuk land, en bij ons kreeg hij weer te eten, maar verbleef uiteindelijk wel op het strookje land naast ons. En nu. The King is dead.

Je krijgt een mooie plek bij de sinaasappelboom, ouwe heer. Het was me een waar genoegen.

Con Amor,

Eva

Leave a comment

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.